
Hier regende het zonet hagelstenen uit de lucht. Eerst een klein straaltje regen, dat aanzwol tot een klein geraas. Ik vroeg me ogenblikkelijk af waarom ik en anderen, want de overbuurman van het 3de verdiep kwam ook eventjes buiten piepen (en dat is toch al veel in deze opeenstapeling van mensen ? het einde van vertrouwen in grote groepen), ontzag voelden voor dit fenomeen. Waarom ik direct greep naar woorden zoals 'razen' terwijl het fenomeen niets van destructie met zich meebracht. Onze holen zijn t? stevig (en zeg ik daarmee net niet alles?)
Het leek me logisch te veronderstellen dat het een machtsverhouding is. Het ijs doet ons niets, maar kan onmogelijk door ons getemd worden. Een vage angst schiet door ons heen, een angst die we wel onder controle kunnen houden (we weten rationeel teveel ? en zelfs al was dat niet het geval dan overwon het euforische gevoel van de mogelijke ijsdestructie onze angsten wel. Hier dwalen geen Goden over de aarde die we moeten vrezen, jammer genoeg).
Het is afgeleid zijn van onze focus, het is onze enige echte vakantie.
En dan slaat alles om. Na het subtiele donker worden, net als onze stemming, die eens genoeg geladen zich als een bliksemschicht naar de aarde laat schieten om de kijker te raken, zet de impact alles in een hel licht. Een licht dat blijft. Eens uitgehageld is de lucht mooi en wolkeloos, het ideale moment om wakker te schieten en terug te flitsen naar de realiteit, want de vakantie is over. Maar die donkere stemming is toch uitgeregend.
Uiteindelijk blijft een hagelregen mooi. Ieder moment is een ander beeld, het is zelfs een beeld dat we niet kunnen opslaan of vergelijken met de vorige beelden. Het is beter dan die flitsende televisie. Hier kan je niet minddead raken. Hier is het ok en zonder schadelijke gevolgen om in te gaan op je geschonken vakantie. Hier is het intussen al lang een zonnig weertje.








